Bas van den Hurk

Expo#20 - SCENARIOS OF DESIRE II

Bas van den Hurk, Sanne Jansen & Jochem Van Laarhoven

Onze samenwerking is geïnspireerd op de modernistische avant-garde uit de jaren 1920 en ’30. Hun utopisch ideaal kende gevaarlijke dogma’s, maar rees tegelijkertijd ook vragen die vandaag nog steeds actueel en relevant zijn. In deze periode was er sprake van een verregaande kruisbestuiving tussen verschillende media en werd aldus een belangrijk fundament gelegd voor de relatie tussen schilderkunst, fotografie, mode en theater. De afgelopen maanden werkten we met z’n drieën aan de scenografie en kostuums voor de voorstelling De ratten, de riten en het ritme, gemaakt en gespeeld door Lars Doberman/Orkater op Oerol 2019. Een klassiek begrip binnen het theater is ‘focus’. Iets of iemand krijgt focus van de (andere) spelers en dus van het publiek. Als de toeschouwer zijn blik laat afleiden, komt deze via de spelers altijd weer terecht bij diegene of datgene dat de focus krijgt. In een theaterstuk bepalen de acteurs en de narratie waarop de aandacht komt te liggen. De blik wordt heel precies gestuurd, door rekwisieten en scenografische onderdelen bijvoorbeeld. Maar ook een afbakening in tijd is een belangrijk aspect om de focus te bepalen.

Onze bijdrage aan Scenarios of Desire II beschouwen we als een onderzoek naar het lezen van het grote geheel; we stellen opnieuw scherp. We verleggen de focus naar de dingen die als ‘onscherpte-model’ werden gebruikt (een veelgebruikte methode in de fotografie om de focus op het onderwerp te leggen door de achtergrond onscherp te stellen), die voorheen als figuranten een pragmatische rol vervulden. Deze pragmatiek wordt pas zichtbaar in de nieuwe context, wanneer ze de hoofdrol spelen. Om met Proust te spreken: de dingen moeten eerst een leven hebben, dan sterven en begraven worden in het museum. De ‘white cube’ als definitieve eindbestemming van het kunstwerk. We dompelden alle elementen uit de voorstelling onder, lieten ze in een geheel opgaan, om ze er vervolgens weer uit te halen.
Volgende vragen rezen: Hoeveel van de originele voorstelling krijg je mee en wat is belangrijk? Wat houdt dat spel van scherpstellen in? Welke regels gelden in deze nieuwe context? Welke elementen mogen deze ruimte betreden? Kan er een schilderij aan toegevoegd worden? Kunnen dingen opnieuw geproduceerd worden? En tot slot: wat is de relatie tussen het ontwerpen, gebruiken en tentoonstellen?

Expo #10 - Meervoud

Bas van den Hurk en Koen Delaere beoefenen beiden een artistieke praktijk die soms bestempeld wordt als ‘uitgebreide schilderkunst’ (‘expanded painting’). Ze houden van schilderen en dichten aan het schilderij een zekere autonomie toe, zonder te vergeten dat ook schilderkunst tegenwoordig deel uitmaakt van een globaal genetwerkte wereld. Bij de presentatie van hun werk spelen ze dikwijls in op de specifieke tentoonstellingscontext of zetten die deels naar hun hand, waarbij de aandacht zowel kan gaan naar historische, sociale, architecturale als artistieke omgevingsfactoren. Ze werken vaak samen met anderen (bijvoorbeeld in hun nomadische initiatief Whatspace) en nemen soms de rol van curator op zich. 

Bas van den Hurk heeft gedurende jaren, in samenwerking met Wouter Verhoeven, films en installaties gemaakt. Naar het einde van die samenwerking begonnen er merkwaardige schilderijtjes als rekwisieten in die films op te duiken. Van den Hurk schildert meestal op textiel, vaak stofjes die een goedkope vorm van glitter trachten uit te stralen – een gegeven dat zijn praktijk verbindt met het textielverleden van zijn vader en van de stad Tilburg. In eerste instantie gaat hij dit textiel, terwijl het nog niet opgespannen is en enigszins gegolfd of geplooid is, bedrukken met telkens hetzelfde geometrische motief. Dat motief heeft hij ontleend aan een theaterdecor en kostuums van Sonja Delaunay uit de jaren 1920, toen de historische avant-garde nog geloofde dat ze mens en wereld naar haar beeld zou kunnen herscheppen. Eens het textieldoek opgespannen, vertonen de gezeefdrukte fragmenten toevallige vervormingen. Daar voegt de schilder vlekken, ‘sporen’, ‘tekens’ aan toe die, net als het hele schilderij, ergens lijken te zweven tussen iets en niets - als een soort ‘schmutzige Zen’.