Jean-Marie Bytebier

Expo #11 - Uitblinkend door afwezigheid (2)

Jean-Marie Bytebiers werken worden veelal onmiddellijk als landschappen gelezen. En toch doet de kunstenaar keer op keer zijn uiterste best om zoveel mogelijk landschap weg te nemen. Hij wil immers het canon van de landschapsschilderkunst doorbreken door obstakels in zijn werk te brengen: hij draait het landschap om, krast erin, krabt het weg, verknipt het in verschillende onderdelen, verplaatst of verdubbelt de horizon. Met een gereduceerd kleurgebruik, veelal vale, sombere kleuren, en een economisch verfgebruik vergroot hij details uit. Maar hoe meer hij uitvergroot, hoe meer er verdwijnt. Hoe meer hij inzoomt, hoe verder hij van het gegeven verwijderd raakt. Aanvankelijk aanwezige motieven verdwijnen naar de zijkanten of details zoals struiken en bomen palmen het hele schilderij in. Maar de toeschouwer is hardnekkig, hij blijft in Bytebiers werken landschappen herkennen. Want zijn blik is dermate gedetermineerd door de sterke traditie van de landschapsschilderkunst.

De bijdrage van Jean-Marie Bytebier aan Uitblinkend door afwezigheid (2) kreeg de ondertitel AB.ad. mee. De aanzet voor deze presentatie was het gelijknamige boek, een samenwerking tussen de kunstenaar, Luc Derycke en MER. Paper Kunsthalle. In dit boek werd dertig jaar artistieke praktijk verzameld. Het betreft eerder een kunstenaarsboek, dan wel een monografie of catalogus.

Expo #3 - Uitblinkend door afwezigheid

Nooit vinden de schilderijen en tekeningen van Jean-Marie Bytebier hun oorsprong in de zintuiglijke waarneming. Nergens valt er een menselijke figuur te bespeuren. Het is geenszins zijn doel om verhalen of geschiedenissen te vertellen, zijn positie is eerder bevragend, als van een leerling-tovenaar: wat als ik nu eens…? Hij vervaardigt constructies, waarvan de uitgangspunten meestal eenvoudig zijn. Hij is een meester in het loslaten en houdt ervan als een werk een eigen leven begint te leiden. Het zijn vormen die wachten op een specifieke situatie – die plaats in die ruimte, met die lichtinval op dat specifieke moment, in samenspel met die andere kunstwerken en in de specifieke beleving van die individuele toeschouwer – om telkens opnieuw ingevuld te worden. Bytebier vraagt zich af hoe de wereld aan ons verschijnt. Hoe komt bijvoorbeeld een landschapservaring tot stand? Wat zien we dan eigenlijk? En, minstens even cruciaal, wat zien we over het hoofd, wat onttrekt zich aan onze blik? In zijn werken wil hij niets vertellen over deze kwesties – hij wil dat ‘tussenmoment’ of die ‘tussenruimte’ waarin het gebeurt, waarin een beeld verschijnt of verdwijnt, telkens opnieuw bij de toeschouwer uitlokken. Hij doet dat duidelijk met veel plezier en met de poot van een pur sang schilder, die de toeschouwer met een toets weet te verleiden, of in de val kan lokken. Niettemin vormt elk werk – ook voor de schilder zelf – de plaats van een onvervuld en onvervulbaar verlangen. Het ultieme landschap bevindt zich immers altijd aan de andere kant van het raam.