De Vos

Expo #18 - Werelds goed is eb en vloed

“Niet de zogenaamd intellectuele explicaties komen tot ons, bedoel ik, of de verspilde maatschappijkritiek, maar wel beelden die koppig weerstand bieden en die, omdat niemand ze begrijpt, blijvend gekoesterd worden als belichamingen van onze verwarring.”  - Hans Theys

Kasper De Vos is een strandjutter. Hij sprokkelt, puzzelt, bricoleert, balanceert, verbeeldt met de dingen die hij op zijn weg vindt. Daarnaast actualiseert hij oude technieken, zoals boetseren met klei of vormgeven met gips. Vaak combineert hij gevonden dingen, bouwmaterialen en gemodelleerde figuren. Zijn werkwijze verraadt een flinke dosis spelplezier, en tevens een scherp gevoel voor de juiste match. Daarover liet hij (in thewordmagazine.org) noteren: “De clou ligt in die precieze intersectie waar twee of meer lijnen elkaar kruisen.”

Doordat ze deels uit alledaagse voorwerpen of populaire beelden bestaan, zitten De Vos’ sculpturen en collages stevig in het concrete ‘hier en nu’ verankerd. Maar gevonden dingen bezitten ook een - grotendeels in de vergetelheid verdwenen - geschiedenis. Toch hebben zowel de specifieke vorm en materie die het ding bij zijn conceptie heeft meegekregen, als de sporen van wat het sindsdien meegemaakt heeft, heel wat te vertellen. Ze vormen een reservoir voor de verbeelding.

Kasper De Vos boort het beeldende potentieel van gevonden dingen aan, middels een speelse ars combinatoria, in sculpturen, tekeningen en collages (voor deze gelegenheid aangevuld met een reeks zeefdrukken). Daarover zegt hij: “Ik vind en combineer instinctief dingen, tot die in elkaar blijken te
passen als in een puzzel. Ik tracht regels voor dit spel te formuleren, die ik later breek om mezelf te verrassen.” Zo plaatst De Vos zijn creaties in een spanningsveld, dat herinnert aan de poëtica van de negentiende-eeuwse dichter Stéphane Mallarmé en zijn artistieke erfgenaam Marcel Broodthaers. Deze was gestoeld op het pendelen tussen “en-deçà” en “au-delà”: je kan slechts naar het ‘andere,’ het onbekende, het zoete land van de verbeelding reiken door, telkens opnieuw, terug te vallen op jouw concrete omgang met de letterlijke dingen en specifieke verschijningen die je hier en nu omgeven. Deze ‘materiële poëzie’ impliceert een voortdurende afwisseling van actie ondernemen en ‘laten gebeuren’. Ze bestaat bij gratie van een wakkere, ontvankelijke blik en een veerkrachtige verbeelding – en niet alleen bij de kunstenaar. Het is een spel met de blik en de bereidheid, de verlangens en projecties van de toeschouwer, die het werk al dan niet voltooit.

Hans Theys beschrijft de sculptuur Spinning the Self in zijn tekst Een gedrongen ei (2018) als volgt: “(...) Eerst zag ik hoe ze tot stand kwam: als een kip draaiend aan een spit werd een brok piepschuim overgoten met gips tot de zwellende contouren langs een metalen mes scheerden dat, zoals bij traditioneel stafwerk, het overtollige gips wegsneed. Aldus ontstond een ei-vorm. Bij mijn tweede bezoek zag ik hoe dit ‘ei’ te ruste was gelegd op een gehalveerd palet en een gevouwen luchtmatras. Tot slot was het geheel verbonden met een spanriem. Als briljante bekroning van deze sculptuur, althans voor mij, toont deze spanriem zich aan de voorzijde als twee parallelle en aan de achterzijde als gekruiste bretels, waardoor we ineens te maken krijgen met een figuur. De Vos vertelt dat zijn vriendin hem heeft gevraagd een van beide openingen van het ‘ei’ dicht te metselen. Ik zie waarom. Het is op een verdachte manier gedrongen. Het spreekt over een buik en over andere schone en grootse zaken die we niet willen benoemen uit eerbied voor het mysterie. Hier heeft weer een beeldhouwwerk gesproken zonder dat de kunstenaar het in de gaten had. (...)”

Expo #1 - Constructies

Kasper De Vos (1988) omschreef zichzelf in 2012, bij zijn afstuderen aan de School of Arts te Gent, als "beeldend vinder en ruimtelijk bezetter". De Vos is lid van het Gentse beeldhouwerscollectief FASE. Een van de rode draden in zijn werk is de wisselwerking tussen natuurlijke en artificiële elementen of processen. De Vos richt zich niet op vooropgestelde waarheden of structuren. In het werk- en constructieproces zelf komt de vorm tot stand. Het mag dan ook verwonderen dat De Vos zijn sculptuur Met stijl (de ‘t’ weglatend met Antwerpse tongval uit te spreken) integraal op het kleurenpalet van Piet Mondriaan gebaseerd heeft: de primaire kleuren rood, geel en blauw, en de niet-kleuren zwart en wit. Mondriaan, wiens weg naar de abstractie via de geleidelijke abstractie van een boom verlopen is, pleegde spirituele kwaliteiten aan zijn werk te verbinden. In De Vos’ collages zien we sportlui, meestal in opperste inspanning, gecombineerd met voornamelijk uit warenhuisreclames geknipte afbeeldingen van eetwaren. Wellicht was Pieter Bruegel de Oude, uitgerekend in een tijd dat de menselijke greep op de natuurelementen zienderogen toenam, de eerste Westerse kunstenaar die vooral oog kreeg voor dat wat, in de mens zelf, aan zijn greep ontsnapte: de reflex. Dit heeft een doorslaggevende impact gehad op de zeventiende-eeuwse Hollandse kunst en de evolutie van de moderne cultuur.