Ante Timmermans

EXPO #21 - ZWIEFALL

Wat als twee kunstenaars vertrekken van (bijna) niets? En, nog iets zorgwekkender, wat als ze de mogelijkheid openlaten om daar weer op uit te komen? Wat zegt dat over hun constructies?

Het is begonnen met Ante. Die had de pauzeknop ingedrukt. De spie onder het wiel geklemd.
Op grote vellen papier had hij zijn versie van Becketts Wachten op Godot uitgeschreven. (In Antes kunst leunen tekenen, schrijven en construeren, kijken, lezen en zich verspreken zo dicht tegen elkaar aan, dat ze mekaar wel eens omarmen.) Dat wil zeggen, hij had alles overgeschreven/-getekend wat in de theatertekst tussen haakjes stond: de Regieaanwijzingen. Algemeen is geweten hoe belangrijk die bij Beckett zijn, deze meticuleus te volgen richtlijnen. Die aangeven hoe, heel precies, (bijna) niks te doen. Sindsdien duiken de haakjes hier en daar paarsgewijs op. Meestal omvatten ze niks. Soms keren ze elkaar de rug toe.

Bij Ante ging het er al eens stevig aan toe. Jong geweld en zo.
Wat zwaar of absurd was, werd gecounterd, opgeheven, door het plezier van het tekenen, de drang om te doen.
De tekening brak uit. Veroverde drie dimensies (installatie!). Vier dimensies (performance!). Gemaskerd als lastdier bleef hij cirkels draaien. Waar was de zin?
Helle Verzweiflug. Nonsens. Drusba.
Sisyphus achterna.
Stop!
) (
Loslaten. Overboord gooien.
Na de installaties en performances is hij teruggekeerd naar tekenen op A5. Zwart op wit. De tekening niets dan een tekening laten zijn. Niets te zeggen. Gewoon: tonen, laten zien. De tekening de tekening. De toeschouwer de toeschouwer.